Egeltje Prik
Hij was zo lief,
het egeltje Prik.
Hij woonde
net als ik
hier in de straat.
Vaak zag ik hem struinen
onder struiken
in de tuinen.
Gisteren vond ik
hem morsdood
langs de stoep
in de goot.
Eén of andere zak
reed mijn lieve Prik
zomaar in de prak.
***
Visje
Visje met je zilveren schubben,
met je vinnetjes zo fijn.
Ik zie dat je ligt te dubben,
wil je niet langer in het slootje zijn?
Wil je je geluk gaan zoeken
onder het brugje door, naar het meer.
Maar daar zitten grote snoeken,
als die bijten doet dat zeer.
In rivieren, zeeën, baaien,
groot gevaar loert overal.
Orka's, zeehonden, haaien,
waarvan er één je pakken zal.
Wil je toch op avontuur,
Visje weet je wat?
Over een half uur
kun je met mij in bad.
De shampoo prikt niet in je ogen.
De zeep is voor een huidje teer.
Visje bij mij in bad is het ongelogen
veel fijner dan in een zee of meer.
***
Ongelukkige liefde
De mooie juffrouw Kokkeril
werd verliefd op een krokodil.
Ze zei: 'Kom hier lieve jongen,
laten wij eens lekker tongen.
'Och lieve juffrouw Kokkeril,
er is niets dat ik liever wil,
maar tot mijn grote verdriet;
een tong heb ik helaas niet.'
'Nou ja, mijn groene jongen
ik zou 't liefste tongen,
daar kan echt niets aan tippen,
maar schenk me dan je lippen.'
'Och lieve juffrouw Kokkeril,
er is niets dat ik liever wil.
Zoals u waarschijnlijk ziet
lippen heb ik ook al niet.'
Omdat ze zo van knuffelen houdt,
is ze toen met een buffel getrouwd.
Die heeft een tong en dikke lippen,
daar kan geen enkel dier aan tippen.
'Zie je een dame met een buffel
geef haar dan van mij een knuffel.
Dat is alles wat ik zeggen wil,'
sprak de bedroefde krokodil.
***
Een oude duif
Ik ken een tortelduif van honderd jaar.
Hoe kreeg het beest dat voor elkaar?
Dat vogeltje uit Bethlehem
ziet roofvogels eerder dan zij hem.
Dit duifje heeft dus ongelogen
een grandioos gezichtsvermogen.
Een vogel die zo oud wil worden als deze tortel,
eet net als hij elke dag een verse wortel.
***
Dieren ABC
A is een aardvark, dat graaft in de grond.
B is een beertje, met lekker warm bont.
C is een cavia, die knaagt aan het hooi.
D is een duifje, dat vind ik zo mooi.
E is een eland, die knabbelt op mos.
F is een fretje, dat sluipt door het bos.
G is een gerbil, die slaapt in het zand.
H is een hondje, dat eet uit mijn hand.
I is een inktvis, die maakt water zwart.
J is een Jakhals, die bijt nogal hard.
K is een koetje, dat graast in de wei.
L is een lama, die spuugde naar mij.
M is een marter, die klimt in een boom.
N is een neushoorn, die lijkt op mijn oom.
O is een oorwurm, die kruipt in een roos.
P is een python, die wurgt neefje Koos.
Q is maar quasi, die is nagemaakt.
R is een reebok, die sprongetjes maakt.
S is een stokvis, die is allang dood.
T is een tekkel, die lust hondenbrood.
U is een uiver, die broedt op het dak.
V is een varken, dat slurpt uit een bak.
W is een walvis, die vol zit met traan.
X is onbekend, die zie je nooit gaan.
IJ is een ijsbeer, die houdt van de kou.
Z is een zeehond, die zegt je: 'Tot gauw!'
***
Vreemde vogel(1)
Ik hoorde een vogel in de nacht,
hij floot zo mooi, hij zong zo zacht.
Was het soms een nachtegaal
of de zeldzame wielewaal?
Ik keek door het raam naar buiten.
Wie zag ik in het donker fluiten?
Het was mijn malle neef uit Eelde,
die daar op zijn dwarsfluit speelde.
Een hele vreemde vogel dus
en zijn naam die is Wil-helle-mus.
***
Scharrelkuiken
Mijn moeder is een scharrelkip.
Mijn vader is een scharrelhaan.
Alleen weet ik niet zeker wat ik ben.
Ben ik nou een haan of ben ik een hen?
Ik ben in elk geval een scharrelkuiken
en kan daarom van alles gebruiken.
Een oude ploeg, een boerinnenrok,
ik sleep ze vlug naar het kippenhok.
Acht rollen schapengaas, een dode geit,
een gieter, een gans en een boerenmeid,
een baal hooi, een eend, een roestige zaag,
de stapel bij de ren die groeit gestaag.
Een trekkerband, een zeis, een heggenschaar,
ik scharrel van alles bij elkaar.
Ik vind dat scharrelen reuze leuk
en daarom sjouw ik me ook een breuk.
Want over een tijdje is het echt gedaan,
in het najaar krijg ik een andere baan.
Word ik uiteindelijk een scharrelkip, zeg
dan ben ik alleen nog maar goed voor de leg.
Groei ik daarentegen uit tot scharrelhaan,
dan moet ik voor altijd vroeg op gaan staan.
Totdat in de herfst de blaren gaan dwarrelen
blijf ik op het erf als kuiken fijn scharrelen.
***
Kakelvers(je)
Elke morgen bij de boerderij
vlak voor het leggen van een ei,
kakelen de hennen in het kippenhok:
Tok-tok-tok-tok-tok-tok-tok
***
Misverstand
Dit is wat het hoentje vroeg,
toen de haan haar het erf afjoeg.
'Wat heb ik toch misdaan,
mijn allerliefste haan?
Ik heb een rode snavel, zwarte veren,
eieren leggen zal ik heus wel leren.
Je hoeft me dit niet aan te doen,
ik ben toch ook gewoon een hoen.'
Uit de kippenren klonk luid geschater.
De kippen kakelden: 'Jij hoort in 't water.'
'O,' zei toen het hoentje sip,
'ben ik dan een waterkip?'
De haan riep luid: 'Nee, oen!
Je bent een waterhoen!'
***
Liever hond dan heer(naar Annie M.G.Schmidt)
Meneer van der Veer uit IJsselstein
die zei: 'Ik had liever hond willen zijn.
Mens zijn is natuurlijk een eer,
maar toch ben ik liever een hond dan een heer.'
Hij haastte zich naar de bieb op de hoek
en leende daar een groot toverboek.
Op bladzijde tien stond onder andere
hoe je jezelf in een hond kunt veranderen.
Hij las: Leer alle mensendingen af.
Na een paar uur zei hij al woef en waf.
Hij leerde kwispelen, maar na drie weken
was de uitleentermijn van het boek verstreken.
Het toverboek moest naar de bieb terug,
wel dat was natuurlijk een beetje te vlug.
Van der Veer die moest zijn pogingen staken
midden in het hoofdstuk Boerderijen bewaken.
Hij zei: 'Het is vervelend en doet erg zeer,
maar goed, dan blijf ik gewoon een meneer.'
Nu zit hij weer in het dagelijks bestuur
van de hondenclub, maar 's nachts om twaalf uur
zie je hem soms in zijn tuintje staan,
daar huilt hij eenzaam naar de volle maan.
Laatst kwam ik hem tegen op een fuif
en hij was de enige met een vette kluif.
Toen dacht ik, guttegut, die meneer van der Veer
is nog geen hond, maar toch ook niet meer heer.
***
Watervlooientheater
Het vlooientheater is
verdwenen van de kermis.
Maar Kubiko, een watervlo
uit een vijver in Hoenderloo
kreeg een grandioos idee.
Hij dacht, hupsakee,
ik begin hier onder water
een watervlooientheater
met internationaal vermaak.
Uit Holland komt het vlootje Sjaak,
dat als enige van ons landje
een brasem laat eten uit zijn handje.
Uit Rusland komt stoere Iljitsch
die met zijn onderwaterfiets
balanceert op de rug van Loek,
een hele grote valse snoek.
Watervlo Mohammed uit Bengalen
toont zijn gedresseerde garnalen,
die springen, ze weten van wanten
door een hoepeltje van waterplanten.
En topattractie, de betoverende Jasmin,
steekt haar hoofd in de bek van een waterspin.
Heel bijzonder is watervlo Arthur,
die onder water spuugt met vuur.
Groots is de verdwijntruc van Vlodini
die ik hier nu eventjes niet zie.
Als je echt eens uit wil,
pak je snorkel en duikbril,
spring in die vijver van Hoenderloo
en bekijk het circus van Kubiko,
want deze uitzonderlijke watervlo
brengt je echt een spetterende show.
***
Koe
Koetje met je grote koeienogen
ik heb je altijd al gemogen.
Met je fijne pluimenstaart
ben je knapper dan het paard.
Je tong, die lenige likkelurf
is net een ingebouwde slurf.
En je mellekie mooi meidje
is lekkerder dan dat van het geitje.
Als ik een keer niet kan slapen,
tel ik koeien en geen schapen.
Een varken heeft een olijke snuit,
maar die van jou ziet er leuker uit.
Koetje, mijn melk- en boterbeest,
jij maakt van elke dag een feest.
***
Vreemde vogel(2)
Ik ben een vreemde vogel.
Ik knutsel aan mijn nest.
Ik zit hier heel alleen
dat vind ik niet zo best.
Al jaren wacht ik
op een aardig vrouwtje.
Dat is een probleem,
ben ik een kraai of kauwtje
of misschien een papegaai.
Ik ben een onbekende vogel,
al ben ik nog zo fraai.
Ik heb rode veren
met knalgele stippen.
Ik lijk niet op eenden
en ook niet op kippen.
's Winters vlieg ik
naar het warme zuiden
via Den Helder
en over IJmuiden.
Heb je ooit in je leven
zo'n vogeltje gezien?
Stuur het naar me toe,
want heel misschien
is het mijn vrouwtje.
Samen kunnen we broeden
op een kleurig ei.
Na een paar weken is er
weer een vogeltje bij.
Vind jij het groen
van populier en beuk
ook zo ontzettend saai,
echt helemaal niet leuk?
Met een paar vreemde vogels
vrolijk bontgekleurd
worden alle bomen,
nee, je hele leven opgefleurd.
***
Slingeraap
Ik ken de slingeraap, Piet,
die zijn spullen slingeren liet.
Alles hing tussen de blaren,
zijn viool met twee snaren,
zijn tas vol boeken,
zijn vuile onderbroeken,
zijn voetbal, zijn lego,
zijn blokken, zijn radio,
zijn kleurpotloden, zijn gum,
zijn pet, zijn postzegelalbum,
zijn doos met soldaatjes,
zijn boek vol met plaatjes,
zijn sok met een gat,
zijn vrolijk weekblad,
zijn spelletjescomputer,
zijn trommel, zijn toeter,
zijn skelter, zijn fiets,
maar verder niets.
De andere apen hebben geklaagd
en zijn ma om maatregelen gevraagd.
Want rustig slingeren konden ze niet,
ze botsten tegen de rommel op van Piet.
Ons aapje gooide toen alles naar beneden
en de andere apen zijn nu tevreden.
Zij slingeren vrolijk door de bomen,
zonder nog rotzooi tegen te komen.
Kijk heel goed uit in het donkere woud,
gluur tussen struiken en kreupelhout.
Voor je het weet, lig je languit op de grond,
want daar slingeren die aap zijn spullen nu rond.
***
Muis
Er woont een muis in Sint Niklaas
die heeft een hekel aan gatenkaas.
Je kunt hem ook niet verblijden
met kaas uit Gouda of uit Leiden.
Een stukje brie, roomkaas of volvette
hoef je hem niet voor te zetten.
Mozzarella of parmezaan
die laat hij ook veel liever staan.
Het is nauwelijks te bevatten,
maar ons muisje is dol op katten.
met rode, witte of zwarte vachten.
Met zijn knots staat hij ze op te wachten.
Kattenmepper is hij van geboorte.
Hij vangt die beestjes in alle soorten.
Perzen, Siamezen, Abessijnen,
dikke, dunne, grote, kleine.
Hij lust ze rauw, maar ook gebraden
met kersengelei of aardappelsalade,
maar het liefst met gekookte prei
en daar blieft hij dan wel een kaassausje bij.
***
Lammetjespap
Het moederschaap was ontzettend knap,
ze kookte lekkere lammetjespap.
Want haar lieve kleine lammetjes
aten dat liever dan boterhammetjes.
Toen kwam Ruige Rolf,
een hele woeste wolf.
Die mepte het moederschaap dood
en verzoop haar kindjes in de sloot.
Hij pakte de pan met lammetjespap
en smikkelde ervan, hap voor hap.
Het hele pannetje schrokte hij leeg,
waarbij hij een lach om zijn gluipsnuit kreeg.
Veel moeite moest hij ervoor doen, die bandiet,
maar iets fijners dan lammetjespap is er niet.
Nu is hij al lang weer op stap
op zoek naar de volgende pan met pap.
Maar de schapen en de lammeren
zouden niet meer zo hoeven jammeren
en die wolf zou niet meer over de heide spoken,
als ze hem zelf lammetjespap leerden koken.
© Pieter Feller