Verlangen

Opa liet mij
een foto zien
van zijn tante Agaath
heel alleen
midden op straat.
Je zag geen auto,
je zag geen fiets.
Op die foto
was helemaal niets,
alleen tante Agaath
midden op straat.
Een straat zo stil
is wat ik wil
om met mijn vriendjes
op te spelen.
Het is zo'n straat
die bovenaan
mijn verlanglijstje staat.

***

De liefste opa

Opa, opa, dikke bril,
die altijd met me spelen wil.

Opa, opa, valse tanden,
draagt me op zijn oude handen.

Opa, opa, kopje kaal
vertelt me weer een mooi verhaal.

Opa, opa, hoedje op
geeft me altijd zoete drop.

Opa, opa, zeventig jaren
geeft me centjes om te sparen.

Opa, opa, dikke sigaar,
altijd, altijd, hoest je maar.

Opa, opa, lief oud baasje
drinkt iets vies' uit een klein glaasje.

Opa, opa, neusje rood
ga toch alsjeblieft nooit dood.

***

Zoet

Ik heb gevochten
met die pestkop
van verderop
en mijn lippen
zitten vol met bloed.
Even proeven.
Zeg, wat smaakt
die overwinning zoet!

***

Wat te doen?

Mijn ouders zijn heel kwaad.
Maar wat heb ik dan misdaan?
Mag je dan niet stelen?
Mag je niemand slaan?

Mijn buurmeisje, Mariska,
die pestte mij al weken.
Ik klaagde bij pa en ma.
Mama heeft verbaasd gekeken

en papa heeft me geadviseerd:
'Jongen, je bent toch geen sul,
brave Hendrik of een doetje.
Bijt van je af, mijn beste knul!'

Dus heb ik die Mariska,
die etterbak van zeven,
van haar zakgeld beroofd
en haar een klap gegeven.

Van het geld heb ik
chips en cola gekocht.
Dat leek me heel stoer,
ik dacht dat het wel mocht,

maar blijkbaar begreep ik
papa niet helemaal goed.
Ik mag geen meisjes slaan,
dat is onopgevoed.

Mariska, pestkop van verderop
vindt mij een slappe oen.
Ze spuugt, ze krabt en slaat me,
maar ik durf niks meer terug te doen.

***

Boterhammenland

Holland was een boterham
en de mensen waren hagelslag.
Totdat er een reus aan kwam,
die heel graag brood eten mag.
Met twee, drie reuze happen
verdwenen de lage landen.
Niemand kon ontsnappen
tussen die reuzentanden.

***

Donderdagmiddag

Donderdag drie uur in de middag.
Mijn vriendje is er niet.
Hij is naar pianoles,
bij mevrouw van der Ven.

Donderdagmiddag ga ik op zoek
naar een kind om mee te spelen.
Ik ga loop heel ver weg naar
straten waar ik niemand ken.

Ik zie wel kinderen overal.
Ze steken hun tong uit,
joelen en jouwen naar mij.
Ze kennen mijn naam niet hier.

Ik ga weer terug naar mijn buurt
en passeer het huis van mijn vriendje.
Hij is nog niet terug van de les,
het is pas kwart voor vier.

Ik hoop dat mijn vriendje
een vingertje breekt.
Het is toch niet nodig dat
hij leert pianospelen.

Pianisten zijn er genoeg.
Op donderdagmiddag moet hij
bij mij zijn, anders loop ik
me zo ontzettend te vervelen.

***

Verwend

Ik heb een jongetje gekend,
dat altijd erg werd verwend.

Hij was nog maar vier,
toen wilde hij een dier.

Hij vroeg een kat, geen hond,
omdat hij poezen liever vond.

Zijn ouders die altijd overdreven,
hebben hem een leeuwtje gegeven.

Na vier jaar werd het jongetje acht
en was de leeuw op volle kracht.

Toen kwam de dag dat die knul verdween.
Waar was dat knaapje nu toch heen?

Uiteindelijk heeft die leeuw bekend:
'Ik heb me met kindervlees verwend.'

Verwen uw kindje, maar niet te gek,
anders verdwijnt het in een leeuwenbek.

***

Aftelversje

Pief, paf, pogel
ik ben een vieze vogel,
zoals ik heb beloofd
kak ik op je hoofd.

Pief, paf, pama
ik ben een vuile lama,
zoals ik heb bericht
spuug ik in je gezicht.

Pief, paf, pond
ik ben een gore hond,
zoals ik altijd roep,
poep ik op je stoep.

Pief, paf, poef
ik ben een gemene boef
en met mijn schietgeweer
knal ik alle dieren neer.

Pief, poef, paf
jij bent af.

***

Thuis

Als je de camping achter je laat,
krijg je in de auto al heimwee, want
je nieuwe vriendjes blijven nog
en jij wilt niet terug naar Nederland.

Je stad, je straat, je eigen huis,
alles lijkt vreemd en onbekend.
Was je maar weer in Frankrijk,
je was net aan dat land gewend.

Dan klinkt ineens de voordeurbel
en staat je beste vriend voor het huis.
Vergeten is dat rare rotgevoel,
je eigen stad is weer gewoon je thuis.

***

Lief broertje

'Zeg heb ik je al van mijn broertje verteld,'
vroeg dat nieuwe meisje van nummer negen.
'Dat ventje is zo braaf, een lieve held,
hij valt nooit eens iemand tegen.

Hij wordt nooit vies en is nooit stout,
hij pakt nooit mijn mooie poppen af.
Er is geen mens dat niet van hem houdt.
Dat kereltje krijgt nooit eens straf.

Zijn kamertje is zo keurig,
dat geloof je bijna niet.
Hij is ook nooit humeurig
en doet geen mens verdriet.'

'Goh,' zei ik, 'stel mij eens aan hem voor!'
Maar daar wilde ze niets van horen.
Ze zei: 'Dat kan echt niet hoor,
want hij is nog niet geboren.'

***

Schatten

Wat weten moeders van schatten?
Van gladde kiezelstenen
in een doosje watten?
Van een beer zonder benen?

Van een scherf van een kopje?
Van een opgedroogde muis?
Van een armloos popje?
Van een gebarsten slakkenhuis?

Van een kippenbotje?
Van een vogelfluitje?
Van peukjes in een potje?
Van twee lapjes met een ruitje?

Van dertien flessendoppen?
Van een lege telefoonkaart?
Van spijkers zonder koppen?
Allemaal door ons bewaard.

Onze moeder dacht dat
het rommel was en smeet
alles in het vuilnisvat,
zonder dat het haar speet.

Daarom liepen wij dus weg,
haar fijne knul en lieve meid.
Zoiets pikken wij niet, zeg.
Nu is zij ook haar schatten kwijt!

***

Skateboarden

Hoor ik daar wieltjes ratelen over de stoep?
Dat zijn mijn vrienden Peet, Wim en Joep.
Even later zie je dat het een keet wordt,
als ik ook meedoe met mijn skateboard.

De zon schijnt, we skaten met de voeten bloot.
Na een tijdje worden onze zolen rood,
omdat het wegdek veel te heet wordt,
gaan we zitten op ons skateboard.

Soms hoor je ineens een harde kreet
waarschijnlijk is dat die wilde Peet
die springt, of Joep die op zijn reet stort.
Hij heeft ook zo'n gammel skateboard.

Peet zit op zijn kamer achter de ramen,
omdat zijn ouders zijn skateboard afnamen.
Zijn ouders houden Peet kort.
Hij mag niet springen met zijn skateboard.

Dan wil Wims vader het ook eens proberen,
dat gaat mis, skateboarden is niets voor meneren.
'Wims vader, ik hoop niet dat ik indiscreet word,
maar u bent echt veel te oud voor een skateboard.'

Vandaag is het buiten regenachtig en guur.
Mijn skateboard staat werkeloos in de schuur.
Maar morgen zorg ik dat het een grote keet wordt,
want dan ga ik weer racen met mijn skateboard.

***

Spelen meisjes nog met poppen?

Ik deed een uitgebreid onderzoek
en kwam in het dorpje Poppenhoek.
In een huisje diep in het bos
vond ik een kindje dat heette Jos.
Zeven zussen had Josje Klein.

Fiona vond paardrijden fijn,
Coby zat achter de computer,
Tine speelde op een toeter,
Wilma schoot met een waterpistool,
Paula schreef aan een popidool,
Gerda las graag griezelboeken,
Pien bakte puike pannenkoeken.

Alleen Jos, met de mooie krullen
vermaakte zich met poppenspullen.
Barbiepoppen, marionetten,
negerpopjes en bleke Betten.
De kleine speelde daar zo blij.
Zeer zeldzaam zo'n kindje als zij.
Haar moeder zei: 'Pieter, Josje Klein,
kan ook de naam van een jongen zijn.'
Toen heb ik nog eens goed gekeken
en is Jos een jongetje gebleken.
Naar een poppenmeisje ben ik nog op zoek,
want ik vond haar niet in Poppenhoek.

***

Suikerspin

Ik durf op de kermis haast nergens in
en had dus geld over voor een suikerspin.
Ik draaide die roze bol eens rond
en het water liep me in de mond.
Plots zag ik dat er iets bewoog,
een mond, een oog en nog een oog.
Dat snoepgoed zwol ontzettend op
en kreeg een reuze dikke kop.
Het groeide maar, heel snel ging dat
en werd zo groot als het reuzenrad.
Er kwamen ook acht poten aan.
Ik ben er snel vandoor gegaan,
toen zei die enorme lekkernij:
'Ik heb wel trek in een jongetje als jij.'
Durf jij soms op de kermis ook bijna nergens in?
Alles is minder eng, dan het kopen van een suikerspin!

© Pieter Feller

Terug naar gedichten